Meesterlijke schaaklessen deel 1 De absolute beginner

Op het omslag prijkt het vignet van de Koninklijke Nederlandse schaakbond. Is dit dan een officiële methode van de KNSB? Jawel! Het is een officiële methode náást de stappenmethode. Dit doet denken aan de introductie van de stappenmethode, toen de schrijver van de voorgaande serie, die van pionnendiploma, torendiploma en koningsdiploma (Berry Withuis), verontwaardigd vaststelde dat zijn methode de officiële leergang was. Toen was de KNSB gedwongen de formulering ‘de’ methode te vervangen door ‘een’ methode. Blijkbaar is de status nog steeds een heikele kwestie.

 

 

 

  Voor Tirion uitgevers is het natuurlijk van groot belang dat de KNSB deze methode propageert. Maar het is ook een beetje vreemd. Dit is geen lesmethode zoals de stappenmethode of de boekenreeks van Withuis. De pretentie is, dat iemand in deel 1 schaken leert en daarna steeds beter wordt. Ongetwijfeld leer je veel uit dit eerste boek, maar of je er als ‘absolute beginner’ veel aan hebt geloof ik niet. Daarvoor is de opbouw te grillig en de niveaugradiënt te steil. Wat te denken van een boek waarbij de allereerste oefening al over aftrekschaak gaat?
Nee, om als ‘analfabeet’ op schaakgebied te leren schaken kun je beter naar een ander boek grijpen, desnoods naar Schaken voor Dummies. Maar als je al iets van schaken weet, bevat dit boek een schat aan inzichten. De opbouw is zeker niet geleidelijk van makkelijk naar moeilijk.  Daarvoor bevatten de eerste lessen al te veel pertinent moeilijke opgaven (niveau stap 3 of 4, als je de Stappenmethode als maatstaf neemt). Maar de originele rangschikking helpt wel een bepaald schaakstuk beter te begrijpen en een bepaalde opdracht met elk van de stukken uit te voeren.  


Klik op deze afbeelding om een hele bladzij te bekijken

Uiterst handig is daarbij, dat de oplossing van de oefeningen steeds op de achterkant van de bladzijde staat. De makers hebben zich hierbij bepaald niet met een Jantje van Leiden afgemaakt. Het antwoord staat er nooit als een koud 1. Db4-e4+. Altijd is er een ruimhartige toelichting in woorden, waarbij ook alternatieve oplossingen of foute zetten besproken worden. Dit maakt het boek tot een persoonlijke coach.

Inhoudsopgave

 

Instructie

1 Bord en notatie

2 De beginstelling

3 De koning

4 De koningin/dame

5 De toren

6 De loper

7 Het paard

8 Het slaan

9 De pion

10 Het slaan van de pion en promotie

11 Schaak

12 Mat

13 Pat

Oefeningen

1 De actieve koning

2 De actieve dame

3 De actieve toren

4 De actieve loper

5 Het actieve paard

6 De actieve pion

 

7 De defensieve koning

8 De defensieve dame

9 De defensieve toren

10 De defensieve loper

11 Het defensieve paard

12 De defensieve pion

13 Voordelige ruil met de dame

14 Voordelige ruil met de toren

15 Voordelige ruil met de loper

16 Voordelige ruil met het paard

17 Voordelige ruil met de pion

18 Aanval met de koning

19 Aanval met de dame

20 Aanval met de toren

21 Aanval met de loper

22 Aanval met het paard

23 Aanval met de pion

24 Spelen met de koning

25 Spelen met de dame

26 Spelen met de toren

27 Spelen met de loper

28 Spelen met het paard

29 Spelen met de pion

30 Zelf mat bedenken met het aangegeven stuk

31 Zelf mat bedenken met het aangegeven stuk

Ook de vraagstelling van de oefeningen is origineel. Zelden staat er zoiets als ‘Wit geeft mat in twee’. De vragen zijn eerder tentatief: ‘Kan wit zich nog redden?' , ‘Waar ligt zwarts kans?’, ‘Slaan we het paard of de loper?’, ‘Waarom moet wit 1.c7-c8T doen?’ De vragen kunnen ook strikvragen zijn. ‘Welke rol speelt de witte koning?’ op bladzijde 39 kan kort beantwoord worden met: ‘Geen!’ Uiteraard geeft de toelichting aan waar het wel om gaat.


Klik op deze figuur om een hele bladzij te bekijken

  De verdeling van het boek in theorie en oefenstof is ten onrechte bekritiseerd. Het zou te veel instructie en te weinig oefeningen bevatten. Dat is onzin. Er zijn 13 kleine hoofdstukjes met instructie en daarna volgen 31 bladzijden met elk zes oefeningen. Die oefeningen zijn gerangschikt naar schaakstuk en vervolgens op thema. Dus eerst zes bladzijden over actieve stukken, dan zes bladzijden over de stukken in een defensieve rol, verder voordelige ruil, dan zes keer aanval met een bepaald stuk. Ten slotte zelf mat bedenken met het aangegeven stuk.
De benadering per stuk helpt om inzicht te krijgen in specifieke manoeuvres met dat stuk. De vraagstelling daagt uit verder te gaan dan een simpele combinatie, je moet goed alle aspecten van de stelling erbij betrekken.  
  Deze serie is niet bedoeld voor kinderen, maar gericht op volwassenen met een culturele belangstelling. Van het begin af aan worden wetenswaardigheden uit de geschiedenis van het schaken opgedist. De toon is soms wat belerend en oubollig, soms ineens poëtisch. Enkele stijlfiguren:

-          “Zo, we gaan dus leren schaken” (oude schipper tegen bramzeilertje)

-          “… als een donderslag bij heldere hemel, als een regenboog in de nacht, voltooit wit het mat met de koningszet 1. Ka7-b7 #.

-          “In België [noemt men mat achter de paaltjes] ‘mat in het gangske’.”

-          “Het is heel bijzonder dat we dit zelf hebben opgelost.” (Zuster Zuringa tegen een patiënt die voor het eerst zijn bord heeft leeggegeten)

stijlbloempjes

Mooi is ten slotte ook de grafische vormgeving van het binnenwerk, met schaduwletters achter de titels van de hoofdstukjes, die aangeven of het hier om instructie, oefeningen of oplossingen gaat. Het boek bevat veel interessante diagrammen, die op allerlei niveaus te gebruiken zijn. Zo gebruik ik het diagram ‘Geef mat in twee zetten’ (nr 6 op blz. 35, zie hiernaast) tegenwoordig om te kijken hoe ver kinderen van stap 2 en stap 3 zijn met vooruitdenken. Ik ben benieuwd of de schrijvers erin slagen tien deeltjes lang met zoveel interessants te blijven komen.
PieterJan Mellegers Deel 2